Uw kantoor gebruikt AI. Uw tuchtrechter ook.

Waarom de advocatuur een governance-probleem heeft dat aanbevelingen niet gaan oplossen

Eind 2025 publiceerde de NOvA haar ‘Aanbevelingen AI in de advocatuur’. Eind 2025 berispte de Rechtbank Rotterdam een advocaat die niet-bestaande jurisprudentie had aangedragen, vermoedelijk gegenereerd door ChatGPT. Begin 2026 kregen drie advocaten een waarschuwing van de toezichthouder voor hetzelfde vergrijp. Eén van hen kwam vervolgens bij dezelfde rechtbank opnieuw met verzonnen uitspraken aanzetten.

Dat zie ik niet als een anekdotisch incident. Het is het eerste zichtbare symptoom van een structureel probleem: de Nederlandse advocatuur adopteert AI in hoog tempo, zonder een operationeel kader dat voorkomt dat dit soort fouten zich herhaalt.

De cijfers zijn helder, de consequenties niet

Uit het Wolters Kluwer Benchmark Rapport 2026, gebaseerd op een enquête onder 633 juridische professionals, blijkt dat 59,6% van de Nederlandse juridische professionals AI-tools gebruikt. Meer dan 84% plant extra investeringen. De adoptie is niet meer experimenteel maar operationeel.

Wat die adoptie niet bevat, is minstens zo veelzeggend. Vraag een willekeurige managing partner van een kantoor met 30 advocaten welke van hun AI-toepassingen onder de hoog-risico categorie van de EU AI Act valt. Vraag ook bij welke toepassingen ze ‘gebruiksverantwoordelijke’ zijn in de zin van artikel 26, en welke use cases een conformiteitsbeoordeling vereisen.

Bij het overgrote deel van de kantoren luiden de antwoorden volgens mij: we weten het niet, we hebben er niet over nagedacht, we wisten niet dat die vragen bestonden.

De NOvA-aanbevelingen: richting zonder route

De aanbevelingen van de NOvA zijn vakkundig opgesteld. Ze vertalen de kernwaarden (onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit, vertrouwelijkheid) naar een context waarin generatieve AI een dagelijks hulpmiddel is. De advocaat blijft eindverantwoordelijk. Controleer je bronnen. Voer een DPIA uit. Documenteer je afwegingen.

Het zijn verstandige principes, maar principes zijn geen processen.

Een kantoor dat de aanbevelingen leest, weet wat het zou moeten doen en niet hoe. Welke tool valt in welke risicocategorie? Hoe classificeer je een AI-toepassing die je gebruikt voor jurisprudentieonderzoek in een asieldossier, vergeleken met een handelsnaamgeschil? Waar leg je die classificatie vast? Wie controleert of een medewerker ChatGPT gebruikt voor een concept-pleitnota in een strafzaak?

De aanbevelingen zijn een kompas, en een kompas zonder kaart brengt je op dezelfde plek als geen kompas: je loopt in de richting die op dat moment logisch voelt.

Toezicht in aanbouw, normen nog in de steigers

Het College van Toezicht Advocatuur heeft in het Werkplan 2026 aangekondigd dat AI-gebruik onderdeel wordt van de gesprekken met lokale dekens. Dat is een stap, maar het werkplan bevat geen inhoudelijke normstelling. Het College wil vernemen hoe dekens omgaan met AI-gebruik en zegt niet hoe ze dat zouden moeten doen.

De dekens zelf kampen met capaciteitsproblemen. Uit hetzelfde werkplan blijkt dat de 10%-norm voor preventieve kantooronderzoeken structureel niet gehaald wordt, en capaciteitstekort is een belangrijke belemmering. Komt daar een nieuw, complex toezichtdomein bij, AI-gebruik door advocaten, dan wordt effectief toezicht op dit terrein niet morgen realiteit. Ondertussen versnelt het gebruik.

De EU AI Act: niet iemand anders’ probleem

Er leeft een breed misverstand dat de EU AI Act vooral relevant is voor techbedrijven die AI bouwen. Dat misverstand is gevaarlijk, want de Verordening legt expliciete verplichtingen op aan gebruikers van AI-systemen, de ‘deployers’ of ‘gebruiksverantwoordelijken’ in de Nederlandse vertaling.

Artikel 26 van de AI Act verplicht elke organisatie die een AI-systeem inzet om, onder meer, technisch toezicht te regelen, een risicoanalyse uit te voeren, data-input te monitoren, en registratieverplichtingen na te komen. Dit geldt voor hoog-risico systemen, maar de definitie van ‘hoog risico’ is breder dan de meeste kantoren vermoeden.

Een advocatenkantoor dat AI structureel inzet voor het analyseren van asieldossiers, het beoordelen van bewijsmateriaal in strafzaken, of het adviseren over arbeidsrechtelijke geschillen, opereert mogelijk in het domein van Annex III. Dat komt niet doordat de tool zelf hoog-risico is, maar doordat de toepassing dat is.

Een artikel in Advocatie van maart 2026 formuleert het scherp: veel kantoren beschouwen AI primair als een ondersteunende tool, voor jurisprudentieonderzoek, samenvatting en tekstvoorstellen, en leggen de koppeling naar de risicocategorieën niet. Zodra AI-output structureel wordt gebruikt in advisering of besluitvorming, stijgt het risicoprofiel. De grens tussen een slimme tekstverwerker en een beslissingsondersteunend systeem is in de praktijk dunner dan hij lijkt.

Persoonlijke aansprakelijkheid maakt dit anders

In de financiële sector is AI-governance een organisatorisch risico. In de advocatuur is het ook een persoonlijk risico. De advocaat die niet-bestaande jurisprudentie indient, wordt niet als kantoor berispt maar persoonlijk tuchtrechtelijk aangesproken.

Daardoor is het pijnpunt hier concreter dan in andere sectoren. Een partner die een medewerker niet adequaat heeft geïnstrueerd over AI-gebruik, draagt medeverantwoordelijkheid. Een kantoor dat geen AI-beleid heeft maar wel tien advocaten die dagelijks ChatGPT gebruiken, heeft een latent tuchtrechtelijk risico bij elke pleitnota die de deur uit gaat.

De drie waarschuwingen van begin 2026 zijn volgens mij geen eindpunt. Ik verwacht dat dit patroon frequenter wordt naarmate het gebruik toeneemt en de tuchtrechter alerter wordt.

De blinde vlek

Dat kantoren AI gebruiken is niet het eigenlijke probleem, want dat is onvermijdelijk en in veel gevallen wenselijk. Het probleem is het structurele gat tussen de snelheid waarmee AI wordt geadopteerd en de snelheid waarmee kantoren de governance daaromheen organiseren.

Aanbevelingen lezen dicht dat gat niet, en een cursus AI voor de balie ook niet. Het aanschaffen van LegalPA met ingebouwde anonimisering helpt ook niet, hoe nuttig dat als tool ook is.

Het gat wordt gedicht door drie vragen operationeel te beantwoorden, voor elke AI-toepassing die het kantoor gebruikt:

  1. Wie is de eigenaar? Dat gaat om de praktijk en niet om het papier. Wie bewaakt dat deze toepassing wordt gebruikt waarvoor hij bedoeld is?
  2. Welk risicoprofiel heeft deze toepassing? Het gaat daarbij om het gebruik en niet om de tool. Jurisprudentieonderzoek in een handelszaak is iets anders dan case-analyse in een strafzaak.
  3. Wat gebeurt er als de output fout is? Daarvoor is een concreet protocol nodig. Wie controleert? Hoe? Wanneer?

Elk kantoor dat die drie vragen niet per toepassing kan beantwoorden, heeft in de praktijk een governance-gat.

Wat nu?

De advocatuur staat op een kruispunt dat de meeste kantoren nog niet als zodanig herkennen. De technologie versnelt, de regulering wordt strenger en het toezicht intensiveert. Door de persoonlijke aansprakelijkheid groeit het risico elke dag dat er geen operationele governance is.

Of kantoren hun AI-gebruik gaan structureren staat voor mij niet ter discussie. Wat ik nog niet weet, is of ze dat doen voordat de volgende berisping de hunne is.

Jan-Willem Rodenhuis is managing partner van Ductus B.V. en schrijft op miliarium.nl over de effecten van AI-adoptie in gereguleerde sectoren.

Bronnen

  • Wolters Kluwer, Benchmark Rapport 2026: Innovatie en Groei in Kleine Advocatenkantoren (n=633)
  • NOvA, Aanbevelingen AI in de advocatuur, 2025
  • College van Toezicht Advocatuur, Werkplan 2026
  • Advocatie, ‘AI Act-risicocategorieën blijven onderbelicht’, maart 2026
  • Advocatie, ‘Advocaten gewaarschuwd na misbruik van AI in processtukken’, februari 2026
  • Mr. Online, ‘Nederlandse advocaat valt door AI-mand’, oktober 2025
  • EU AI Act, Verordening (EU) 2024/1689